VARKENSLOKET

Introductie en optimalisatie van innovatieve opfokconcepten voor veerkrachtige biggen   

Vlaamse opfokbedrijven kennen een aantal belangrijke technisch-economische uitdagingen: de perinatale biggensterfte is hoog, het opfokken van steeds grotere worpen is een grote uitdaging, en het abrupt spenen van biggen zorgt voor een terugval in prestaties en een verhoogde vatbaarheid voor infecties. Het VLAIO-LA project 'Introductie en optimalisatie van innovatieve opfokconcepten voor veerkrachtige biggen' wil innovatieve concepten in de opfok van biggen introduceren en optimaliseren, met als doel op een rendabele manier meer veerkrachtige biggen te bekomen. 'Veerkracht' wordt  hierbij gedefinieerd als het vermogen van het dier om, onder normale fysiologische condities,het evenwicht te herstellen als het wordt verstoord. De voorgestelde concepten zijn: 1/ interventies bij de neonatale big (alternerend zogen, drenching van bioactieve stoffen), en 2/ interventies ter voorbereiding van het spenen (groepsopfok in kraamafdeling met stimulatie van foerageergedrag).

Succesvol omgaan met overtallige biggen impliceert in de eerste plaats het nemen van maatregelen om de overlevingskans van de zwakste biggen te verbeteren zonder de overleving en de prestaties van de zwaardere biggen te veel te schaden. Mogelijke maatregelen zijn o.a. drenchen, alternerend zogen, verleggen en het verstrekken van snoepvoeder.

  • Drenchen omvat het verstrekken van een beperkte hoeveelheid vloeistof in de muil van kleine/zwakke biggen met behulp van een spuitje of pompje. Kleine biggen zijn vaak niet in staat om in competitie te gaan met grotere nestgenoten en/of zijn te zwak om actief (een eerste maal) voldoende biest op te nemen. Hierdoor ontstaat er een neerwaartse spiraal waarbij deze biggen nog verder verzwakken, nog minder biest opnemen en vaak sterven. Bijvoederen door middel van drenchenbv. melkschotels neemt de competitie en de initiële zwakte van kleine biggen niet weg waardoor bij gebruik van dergelijke systemen het vooral de grotere, krachtigere biggen zullen zijn die extra melk kunnen opnemen. Hier kan drenchen een oplossing bieden doordat deze interventie een individuele supplementatie toelaat van zwakke biggen. Bovendien heeft recent onderzoek aangetoond dat drenchen gedurende 7 dagen geen bijkomende belasting geeft aan biggen met een te laag geboortegewicht, dus veilig kan worden toegepast. Eerdere studies hebben reeds aangetoond dat de sterfte van kleine biggen kan gereduceerd worden door 1-2 keer te drenchen met een energetische booster. In huidig lopende proeven wordt momenteel nagegaan of beperkt drenchen (1 of 2 dosissen om de arbeidskost te minimaliseren) van specifieke producten een gunstig effect heeft op de weerbaarheid van biggen met een te laag geboortegewicht.
     
  • Bij alternerend zogen worden de biggen met een hoog geboortegewicht en volle buik voor een bepaalde tijd afgezonderd van de zeug. Belangrijk is dat de biggen droog, warm (vloerverwarming, IR-lamp) en rustig worden gehouden. Alternerend zogen (start 3 uur na einde werpen) verbetert de biestopname, groei in de eerste levensdagen en overlevingskansen van biggen met een laag geboortegewicht. Uit recente proeven blijkt dat 3 uur (vergeleken met 6, 9 en 12 uur) afzonderen van de zwaarste biggen met volle buikjes al een positief effect heeft op de overlevingskansen van de kleinste biggen. biggenVooral de biestopname van de 25% lichtste biggen in de toom neemt toe. Lang afzonderen (9-12 uur) heeft merkwaardig genoeg geen bijkomend positief effect op de lichte biggen, maar wel een negatief effect op de biestopname van de zwaarste biggen. De zware biggen ervaren een tijdelijke gereduceerde groei, maar herstellen gedurende de tweede en derde levensdag van hun isolatie. Het twee keer toepassen van het afzonderen van de zwaarste biggen gedurende 3 uur met 3 uur hereniging met de zeug tussenin (3 uur afzonderen - 3 uur bij zeug - 3 uur afzonderen), heeft weinig meerwaarde ten opzichte van het éénmalig afzonderen van de zwaarste biggen gedurende 3 of 6 uur. Bij voorgaande proeven werd alternerend zogen toegepast 3 uur na einde van het werpen. Voorlopig advies is om steeds tijdig na werpen te starten om te profiteren van de tijdelijke biestsecretie en om ervoor te zorgen dat de energiereserves van de kleine biggen minder uitgeput zijn. In een latere proef wordt onderzocht op welk tijdstip best met alternerend zogen wordt gestart.
     
  • groepsopfokOm de stress bij biggen bij spenen te reduceren, kan geopteerd worden om groepsopfok van biggen in de kraamstal toe te passen. Bij groepsopfok  wordt ingespeeld op de sociale vaardigheden van biggen door twee of meer tomen biggen gedurende de kraamstalperiode met elkaar te laten interageren. Intentie is om de biggen op latere leeftijd, zoals tijdens de stressvolle speenperiode, beter met sociale en niet-sociale uitdagingen leren om te gaan. Groepsopfok resulteert in minder agressie na spenen en minimaliseert de gevolgen van de speenproblematiek bij biggen op korte termijn.
     
  • Andere managementmaatregelen zijn het verleggen van biggen - ten vroegste 12 uur na de geboorte - wanneer het aantal biggen van de zeug het aantal functionele tepels overschrijdt. De focus van het geven van snoepvoeder ligt op het stimuleren van de voederopname van de biggen. 

Meer informatie

ugent    aio   uant