VARKENSLOKET

Normen voor (vrijloop)kraamhokken?

Wie overweegt te investeren in kraamhokken moet onvermijdelijk een aantal knopen doorhakken zonder alle consequenties volledig te kunnen inschatten. Een aantal zeugenhouders kiezen resoluut voor vrijloopkraamhokken, omwille van persoonlijke voorkeuren maar ook deels om te anticiperen op mogelijke wettelijke of commerciële/maatschappelijke druk in die richting. Het is echter koffiedik kijken of die druk er komt, op welke termijn dit gebeurt en aan welke specifieke normen vrijloopkraamhokken dan zullen moeten voldoen. In volgende tekst wordt ingegaan op de (beperkte) informatie die momenteel wel al beschikbaar is.

In juli 2021 start de in het kader van het Europese Innovatie Partnerschap (EIP) door de EU en de Vlaamse Overheid betoelaagde operationele groep “Triple F: Feasibility Free Farrowing”, gecoördineerd door Boerenbond, KUleuven en Varkensloket. De projectuitvoerders willen de problemen en de uitdagingen die de Vlaamse pioniers op het vlak van vrijloopkraamhokken ervaren in kaart brengen om de volgende groep beter te kunnen informeren. Wie overweegt in vrijloopkraamhokken te investeren en deel wil uitmaken van de operationele groep of informatie over het project wil, kan contact opnemen met Eddy.vandycke@boerenbond.be,

logo's

 

Huidige EU-normen voor kraamhokken: weinig houvast

Momenteel geldt de Europese Richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (die een licht aangepaste versie is van een eerdere richtlijn uit 2001). Naast de algemene regels die gelden voor alle varkens vermeldt deze Richtlijn het volgende voor kraamzeugen en kraambiggen:

  • In de laatste week vóór het werpen moeten zeugen en gelten over voldoende en adequaat nestmateriaal kunnen beschikken, tenzij zulks met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is. 
  • Achter de zeug of gelt moet een vrije ruimte zijn om het natuurlijke of begeleide werpen te vergemakkelijken.
  • Kraamhokken waarin de zeugen zich vrij kunnen bewegen, moeten voorzien zijn van een bescherming voor de biggen, bv. een zeugenbeugel.
  • Een deel van de totale vloeroppervlakte dat groot genoeg is om alle biggen tegelijk te laten rusten, moet bestaan uit een dichte vloer of een mat, of moet worden voorzien van stro of ander geschikt materiaal. 
  • Wanneer een kraamkooi wordt gebruikt, moeten de biggen voldoende ruimte hebben om ongehinderd gezoogd te kunnen worden.

In deze regelgeving wordt dus geen minimale oppervlakte vooropgesteld, noch voor kraamhokken met kooien, noch voor vrijloopkraamhokken, noch voor de eventuele kooien. 

De (voorloper van de) richtlijn vermeldt wel dat er op Europees niveau een verslag moest worden opgemaakt waarin onder andere volgende aan bod zou komen: de verdere ontwikkeling van op de behoeften van de zeugen afgestemde huisvestingssystemen voor zeugen in dekafdelingen en voor zeugen in de perinatale periode, waarbij de dieren vrij kunnen rondlopen, zonder dat dit resulteert in extra uitval van biggen. Hiervoor werd door EFSA, het Europese Voedselagentschap, in 2007 een advies uitgebracht waarin naast de knelpunten van kraamkooien op het vlak van zeugenwelzijn o.a. ook staat: “het gebruik van vrijloopkraamhokken zou alleen geïmplementeerd moeten worden als de biggensterfte niet hoger is dan het gemiddelde niveau in het geval de zeugen in kraamkooien worden gehouden. Er moeten inspanningen worden gedaan om de biggensterfte te reduceren.” Voorlopig heeft EFSA nog geen recenter advies uitgebracht. Er zijn dus geen concrete indicaties dat op Europees niveau op korte termijn wetgevende initiatieven zullen worden genomen.

Huidige en toekomstige normen in EU-lidstaten en andere Europese landen

In Vlaanderen geldt nog steeds de regelgeving in het Koninklijk besluit van 15 mei 2003 betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen, dat hoofdzakelijk een getrouwe omzetting is van de (voorloper van de) Europese Richtlijn. Er zijn dus ook geen bijkomende regels voor kraamhokken.

In Nederland geldt wat kraamhokken betreft voorlopig hetzelfde. In Duitsland is dit jaar de nieuwe Tierschutz-Nutztierhaltungsverordnung gelanceerd. Deze legt o.a. op dat voor nieuwe kraamhokken per zeug minstens 6,5 m² zal vereist zijn en zeugen maximaal 5 dagen mogen gefixeerd worden in een kooi. Hiervoor is een overgangstermijn van 15 jaar vooropgesteld. In Oostenrijk moeten bestaande kraamhokken sinds 2013 minstens 4 m² groot zijn en worden vrijloopkraamhokken van minstens 5,5 m² verplicht vanaf 2033. Minstens een derde van de bodem moet dicht zijn. In Zweden zijn vrijloopkraamhokken van minstens 6 m² verplicht, kooien zijn in principe niet toegelaten. In Finland en Noorwegen zijn kooien verboden. Noorwegen legt een minimale oppervlakte van 6 m² op, maar in de praktijk zouden de meeste vrijloopkraamhokken minstens 7 m² groot zijn. In Zwitserland zijn vrijloopkraamhokken zonder fixering al sinds 2007 verplicht. Er is 5,5 m² bodemoppervlak en 2,25 m² ligruimte vereist. In de praktijk zijn de hokken 6,5 tot 7 m² groot. Denemarken heeft zich als doel gesteld dat in 2021 minstens 10% van de kraamzeugen in vrijloopkraamhokken worden gehouden.

Andere (niet-wettelijke) normen

Het Beter Leven Keurmerk (een initiatief van de Dierenbescherming in Nederland met een marktaandeel voor varkensvlees van meer dan 50%) legt vrijloopkraamhokken op vanaf het tweede niveau (twee sterren).

Tabel 1 Normen Beter Leven Keurmerk

  BLK* BLK** BLK***
Fixeren De zeug mag worden ingesloten om doodliggen van biggen tegen te gaan. Zeugen mogen maximaal 5 dagen vastgezet worden in het kraamhok, daarna moet ze zich vrij door het kraamhok kunnen bewegen. Zeugen mogen maximaal 3 dagen vastgezet worden in het kraamhok, daarna moet ze zich vrij door het kraamhok kunnen bewegen.
Minimale oppervlakte kraamhok (m²) 3,8 6,5 7,5 (plus buitenuitloop)
Ligplaats kraamzeug Als de ligplaats volledig uit rooster bestaat moet deze bestaan uit bv.: gecoat metaal of speciaal voor dit doeleinde gegoten metaal of hard kunststof. De ligplaats van de zeug in het kraamhok is dicht en zacht. De ligplaats van de kraamzeug is dicht en ingestrooid met stro of vergelijkbaar natuurlijk materiaal dat voorziet in de nestbouwbehoefte van de zeug.
Nestbouwmateriaal
Verrijking
In de kraamstal wordt min. 48 uur voor de verwachte werpdatum nestbouwmateriaal aangeboden. De zeug krijgt in het kraamhok uiterlijk één dag na afbiggen verrijkingsmateriaal aangeboden. In het kraamhok is permanent stro aanwezig.
Werpruimte Wanneer de zeug vaststaat bij het werpen dient er achter de zeug minimaal 30 cm ruimte te zijn om de biggen te werpen.
Biggennest
Vloerverwarming
Alle zogende biggen van één toom hebben samen een afgeschermde ligplaats/biggennest van 0,6m². De vloer van de afgeschermde ligplaats/biggennest is dicht. De afgeschermde ligplaats/biggennest dient verwarmd te kunnen worden door: een biggenlamp en/of vloerverwarming.
Speelruimte biggen  Biggen in het kraamhok kunnen ongehinderd helemaal rond, langs de kanten, lopen.

De normen voor biologische productie zijn vergelijkbaar met de normen voor BLK***: een kraamhok moet minstens 7,5 m² groot zijn met minimaal 2,5 m² buitenruimte.

In Denemarken heeft de overheid in 2017 een keurmerk ontwikkeld met drie niveaus van bovenwettelijk dierenwelzijn, gaande van 1 tot 3 groene hartjes. Op het laagste niveau (één hartje) mogen de kraamzeugen 4 dagen opgesloten worden in een kooi, op het tweede niveau 2 dagen en op het derde niveau helemaal niet.

Anticiperen op vrijloop?

Onderzoek heeft aangetoond dat in vrijloopkraamhokken van 5 tot 9,5 m² de laagste uitval wordt vastgesteld. Normen zullen zich dus wellicht in die reikwijdte situeren.

Het wordt sowieso sterk afgeraden om nog kraamhokken van minder dan 4 m² te bouwen. Huidige aanbevelingen voor klassieke nieuwbouwkraamhokken voor hoogproductieve zeugen stellen eerder 5 of zelfs 5,6 m² voorop, wat dicht in de buurt van de minimale afmetingen voor vrijloop komt. 

In onderstaand voorbeeld (bron: IFIP, 2009) wordt uitgegaan van een standaard kraamhok van 4,25 m² (1,7 m breed op 2,5 m diep). Om te verbouwen naar vrijloop wordt een breedte van 2,5 m vooropgesteld (6,25 m²). Op die manier kunnen 3 standaardkraamhokken indien nodig worden omgebouwd naar 2 vrijloopkraamhokken. Om die reden wordt aangeraden rijen kraamhokken in veelvouden van 3 te bouwen.

kraamhokken

Figuur 1 Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken naar 2 vrijloopkraamhokken (Bron: naar IFIP-Massabie, 2009)

Een andere (minder aan te bevelen) optie is bij het bouwen van klassieke kraamhokken zowel voor als achter de hokken een controlegang te voorzien. Dit kost extra ruimte en vergt dus bijkomende investeringen, maar is qua arbeidsgemak gunstig. Op het ogenblik dat het relevant zou worden om te bouwen naar vrijloop kan een van de controlegangen worden opgeofferd. Voorwaarde is wel dat de oorspronkelijke hokken breed genoeg zijn (minstens 1,6 m maar bij voorkeur breder). Hoewel mogelijk de oppervlaktenorm voor vrijloop op die manier wordt gehaald, zal het resultaat naar alle waarschijnlijkheid door de hokvorm niet optimaal zijn qua bewegingsmogelijkheden voor de zeug en qua arbeid.

kraamhokken2

Figuur 2 Mogelijke ombouw van 3 kraamhokken met 2 controlegangen naar 3 vrijloopkraamhokken met 1 controlegang

Een derde optie is het kraamhok voldoende ruim te dimensioneren zodat het eventueel door het wegnemen van de kooi of door de kooi te laten opklappen of openschuiven kan gebruikt worden als een vrijloopkraamhok.

Besluit

De laagste (wettelijke) minimumnorm die momenteel voor vrijloop wordt gehanteerd is 5,5 m², wat in principe overeenstemt met de huidige aanbeveling voor (klassieke) kraamhokken voor hoogproductieve zeugen. Voor vrijloopkraamhokken wordt nochtans eerder aanbevolen te streven naar minstens 5,7 à 5,8 m². Ook 6 en 6,5 m² worden momenteel in Europese landen als (wettelijke) minimumnormen vooropgesteld. Dit volstaat echter niet voor de strengste labels.

Suzy Van Gansbeke, Departement Landbouw en Visserij