Welke parameters zijn belangrijk voor een optimale opstart van gespeende biggen in de biggenbatterij? (bv. ideale temperatuur, ventilatie, aantal drink- en eetplaatsen)?
Het spenen van biggen is een stressvolle periode, daarom is een goede opstart van biggen in de biggenafdeling cruciaal. Hieronder worden de belangrijkste aandachtspunten toegelicht.
Speenleeftijd: De speenleeftijd van biggen wordt veelal bepaald door het gekozen wekensysteem. De speenleeftijd heeft echter een belangrijke invloed op de prestaties na het spenen. Biggen die op 3 weken gespeend worden hebben meer stress, eten minder goed, en doen het over het algemeen minder goed dan biggen die op 4 weken gespeend worden.
Samenhouden van tomen: Het mengen van tomen na spenen kan verschillende (nadelige) gevolgen hebben. Zo kan er agressie zijn tussen de biggen, met huidletsels tot gevolg. Het kan ook leiden tot stress bij de biggen, wat ze vatbaarder maakt voor ziektes zoals speendiarree of Streptococcus suis. Daarom moeten tomen zoveel mogelijk samengehouden worden na het spenen. Eventueel kunnen de kleinste biggen wel apart gehouden worden in een hok, maar deze worden nadien best niet meer gemengd met dieren uit andere hokken.
Hokdensiteit: De hokbezettingsdichtheid is bij varkens vastgelegd in wetgeving. De vereiste minimale vloeroppervlakte per dier is 0,20 m² voor biggen van 10 – 20 kg en 0,30 m² voor biggen van 20 – 30 kg. Uit onderzoek is gebleken dat de hokbezettingsdichtheid een invloed kan hebben op de technische resultaten, de gezondheid en het welzijn van varkens. Algemeen kan worden gesteld dat de dagelijkse groei stijgt als de beschikbare oppervlakte per dier toeneemt. Dit tot op een bepaald niveau. Door EFSA (2005) wordt een oppervlakte van 0,27 m² voor biggen van 10 – 20 kg en 0,35 m² voor biggen van 20 – 30 kg geadviseerd, welke 15 tot 26% hoger liggen dan de wettelijke vereisten.
Klimaat: De biggenafdeling moet voldoende warm en droog zijn. De temperatuur en het ventilatiedebiet hangen af van de leeftijd van de biggen (zie tabel). De afdeling moet voldoende geventileerd zijn zodat het CO2-gehalte max. 2000 – 3000 ppm is en de relatieve vochtigheid 50 – 80 %. Er mag geen tocht zijn.

* De bandbreedte is 5 à 6°C. Bij conditionering van de binnenkomende lucht kan een bandbreedte van 2 – 4 °C aangehouden worden, afhankelijk van de dagelijkse variatie in temperatuur van de binnenkomende lucht.
** Bij een geïsoleerde dichte vloer met vloerverwarming (29 – 30°C contacttemperatuur) kan de insteltemperatuur bij opzet 2°C lager (dus op 26°C) ingesteld worden. (Bron: Brochure een optimaal stalklimaat (2021))
Licht: Volgens het Koninklijk Besluit betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen moeten varkens tenminste 8 uur per dag in een lichtintensiteit van minstens 40 lux gehouden worden. Na het spenen kan het aangeraden zijn om ’s nachts schemerlampen te laten branden boven de voederbakken, zodat ze op die manier ook ’s nachts gemakkelijk het voeder vinden zonder het dag-nachtritme te verstoren.
Voeder: Zorg ervoor dat biggen na het spenen hetzelfde voeder krijgen als voor het spenen. In de biggenbatterij wordt aangeraden om minstens 1 voederplaats per 8 à 10 biggen te voorzien. De eerste dagen na het spenen wordt best extra voeder verstrekt. Hiervoor kunnen extra voederplaatsen (bv. 1 voederplaats per 2 biggen) gecreëerd worden met behulp van ronde voederschalen die aan de rooster vastgemaakt worden. Vul de voederbakken meermaals per dag bij. De diepte van de voederbak is best niet te groot, aangezien kleinere biggen dan in de voederbak kunnen stappen, wat kan zorgen voor (meer) vermorsing. Bij biggen van 22 kg wordt een diepte van 14 cm geadviseerd. De hoogte van de voederbak is best maximaal 75% van de schouderhoogte van het varken.
Drinkwater: Het opnemen van voldoende kwalitatief drinkwater is belangrijk voor gespeende biggen, omdat dit op zijn beurt een invloed heeft op de voederopname. Gespeende biggen zouden 1 à 2 liter per dag moeten opnemen. Om een goede opname te kunnen garanderen moet het debiet van de nippel ook correct ingesteld zijn. Het debiet mag voor biggen, die aarzelende drinkers zijn, niet te groot zijn. Een te groot debiet kan drinkgedrag ontmoedigen en geeft verspilling van water. Idealiter is het debiet 0,5 tot 0,8 liter per minuut. Het is aangewezen om frequent de werking en het debiet van de nippels te controleren, door een minuut het water aan de nippel op te vangen en de hoeveelheid te meten. Voor het aantal nippels wordt een verhouding van minimum 1 drinknippel per 10 à 15 dieren aanbevolen (zeker bij biggen en in het geval van droog voeder), en bij voorkeur minimaal 2 drinknippels per hok. Op die manier fungeert het tweede drinkpunt als back-up voor het eerste in geval van verstopping of breuk of van intimidatie door ranghoge dieren. Meerdere drinkpunten worden bij voorkeur relatief dicht bij elkaar en bij de voederbak (binnen 1 à 2 m) geplaatst. Varkens zullen namelijk minder eten als de drinkbak (te) ver staat. Het drinkwater moet voldoen aan de richtwaarden en wordt best regelmatig gecontroleerd.
Bioveiligheid: Zorg dat de biggenafdeling en het materiaal goed gereinigd en ontsmet zijn. Houd dieren van verschillende leeftijden in verschillende compartimenten. Gebruik apart behandelmateriaal per compartiment (en leeftijdsgroep) om de verspreiding van ziektes te beperken. Draag aparte kledij en laarzen voor de biggenafdeling, om geen ziektes te verspreiden naar andere diergroepen op het bedrijf. Voorzie een apart hok om zieke dieren in af te zonderen.
Dit antwoord werd door het Varkensloket met de meeste zorg en nauwkeurigheid opgesteld. Er wordt evenwel geen enkele garantie gegeven omtrent de juistheid of de volledigheid van het antwoord op uw vraag. De gebruiker van dit antwoord ziet af van elke klacht tegen het Varkensloket of zijn medewerkers, van welke aard ook, met betrekking tot het gebruik van het gegeven antwoord. In geen geval zal het Varkensloket of zijn medewerkers aansprakelijk gesteld kunnen worden voor eventuele nadelige gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van dit antwoord.