Wanneer is een varkensbedrijf biologisch? Aan welke voorwaarden moet je hiervoor voldoen?
De omschakeling naar biologische landbouw vergt een aantal aanpassingen op het vlak van huisvesting, voeding, gezondheidszorg, controles enz. Als hulp kunnen premies door de Vlaamse overheid worden uitgekeerd indien u beslist om over te gaan naar de biologische landbouw. Alle info met betrekking tot mogelijke subsidies vind u op deze website. Enkele belangrijke aanpassingen bij de overschakeling naar de biologische varkenshouderij worden hieronder toegelicht.
- Specifieke huisvestingspraktijken
- Dierenwelzijn
- Biologisch veevoeder
- Herkomst van de dieren
- Omschakelingsperiode
- Zowel biologische als niet-biologische dieren houden
- Veebezetting en mest
- Diergezondheid
Specifieke huisvestingspraktijken
De huisvesting en de bezettingsdichtheid dienen aan bepaalde regels te voldoen. De minimumoppervlakte van de binnen- en buitenruimte voor de varkens is in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 1. Minimumoppervlakte van binnen- en buitenruimte voor biologische varkens

Tenminste de helft van de wettelijk voorgeschreven minimumoppervlakte van de binnenruimte, is dicht, dat wil zeggen, niet voorzien van een latten- of roosterconstructie. Elk dier heeft in de stal een schone en droge lig- of rustruimte, ingestrooid met voldoende en droog strooisel uit een geschikt natuurlijk materiaal. Je mag dit strooisel verbeteren en verrijken met de minerale producten uit bijlage 1 van het onderdeel ‘plantaardige productie’.
Zeugen moeten in groepen worden gehouden, behalve in de laatste fase van de dracht en tijdens de zoogtijd, wanneer zeugen zich vrijelijk in hun omheinde ruimte moeten kunnen bewegen en hun beweging alleen kortstondig mag worden beperkt. Zeugen moeten een aantal dagen voor de verwachte worp een hoeveelheid stro of ander geëigend natuurlijk materiaal krijgen die groot genoeg is om een nest te maken.
Varkens moeten in de bewegingsruimten kunnen mesten en wroeten. Voor het wroeten mag je verschillende onderlagen gebruiken. Er moet altijd een bed van stro of een ander geschikt materiaal voorhanden zijn dat groot genoeg is om ervoor te zorgen dat alle varkens in een omheinde ruimte gelijktijdig kunnen liggen in de positie die het meest ruimte in beslag neemt. Voor bestaande biovarkenshouderijen is een overgangsperiode tot 1 januari 2030 voorzien om eventuele aanpassingen of verbouwingen te doen aan de buitenruimte of het mestopvangsysteem.
Varkens moeten permanent toegang hebben tot openluchtruimten. De openluchtruimten moeten aantrekkelijk zijn voor varkens. Waar mogelijk wordt de voorkeur gegeven aan velden met bomen of bossen. Openluchtruimten bieden een buitenklimaat, alsmede toegang tot beschutting en middelen waarmee varkens hun lichaamstemperatuur kunnen reguleren. De openluchtruimten mogen max. voor 50 % afgedekt zijn.
Dierenwelzijn
Een biologische veeteler houdt maximaal rekening met de soortspecifieke behoeften, dierenwelzijn staat hoog aangeschreven.
Biologisch veevoeder
- Algemeen
In principe worden biologische dieren gevoederd met voer dat bestaat uit biologische ingrediënten en andere natuurlijke stoffen van niet-agrarische oorsprong. Bio streeft een kwaliteitsproductie van varkensvlees na, en niet zozeer een snelle maximale productie.
De voeders zijn aangepast aan de behoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling. Jonge zoogdieren krijgen bij voorkeur moedermelk (ten minste 40 dagen voor varkens). Tijdens de zoogperiode mogen geen melkvervangers worden gebruikt die chemisch gesynthetiseerde of plantaardige componenten bevatten.
Varkens moeten dagelijks biologisch ruwvoer, verse of gedroogde biologische voedergewassen of biologisch kuilvoer krijgen.
Groeibevorderaars en synthetische aminozuren zijn niet toegelaten. Ook stoffen om de groei of de productie te bevorderen (inclusief antibiotica, coccidiostatica en andere kunstmatige groeibevorderende hulpstoffen) en hormonen of soortgelijke stoffen zijn verboden.
- Eigen voeders en regionaliteit
Er wordt gestreefd om zoveel mogelijk de veevoeders op het eigen bedrijf te produceren.
Ten minste 30% van het voer voor varkens is afkomstig van je eigen bedrijf, of als dat niet haalbaar is, wordt geproduceerd in samenwerking met andere biologische landbouwbedrijven uit de regio of diervoederbedrijven die voedermiddelen uit dezelfde regio gebruiken.
De regio wordt niet vastgelegd in Europese regelgeving, maar kan ingevuld worden door de lidstaten. Binnen Vlaanderen wordt de regio momenteel gedefinieerd als de Europese Unie. Dit is een eerste stap waarna op termijn kan gekeken worden om de regio te verkleinen. In de praktijk zal een controle organisatie aan de landbouwer vragen of hij wil bewijzen waar de ingrediënten van zijn voeders geteeld zijn. De landbouwers zullen dit indien nodig moeten vragen aan hun voederleveranciers. Veevoederleveranciers zullen gevraagd worden om deze informatie mee te geven bij de levering van voeders en rekening te houden met deze wetgeving.
- Aangekochte voeders
Voor varkens mogen alle voeders aangekocht worden, maar er moet wel rekening gehouden worden met de regionaliteit (zie hoger). Er zijn twee categorieën:
- Producten waarvan alle ingrediënten van oorsprong biologisch zijn, deze producten mogen als ‘biologisch’ geëtiketteerd worden.
- Producten die minder dan 95% bio-ingrediënten bevatten, deze producten worden geëtiketteerd als ‘mag in de biologische productie worden gebruikt overeenkomstig de Verordeningen (EU) nr. 2018/848'. Deze producten kunnen omschakelingsvoeders bevatten.
Bij voeders van de categorie ‘mag in de biologische productie worden gebruikt overeenkomstig de Verordeningen (EU) nr. 2018/848’ moet je wel letten op enkele zaken:
- Indien gangbare melasse en kruiden in de voeders aanwezig zijn, mogen deze max 1% uitmaken van de totale jaarlijkse voederrantsoen (berekend op jaarbasis)
- Indien er gangbare eiwitten aanwezig zijn in de voeders, mogen deze voeders enkel gebruikt worden voor biggen tot 35 kg
- Producten als vis, vismeel, olie en hydrolysaten van duurzame visvangst mag aanwezig zijn in het voeder van varkens. Vishydrolysaten mogen enkel gebruikt worden bij jonge dieren.
- Als er gewassen uit omschakeling (vanaf tweede jaar omschakeling) aanwezig zijn in de voeders mogen die maximum 25% van het totale voedingsrantsoen uitmaken.
- Uitzonderlijk gebruik van gangbare voeders
Omdat er in Europa onvoldoende biologische eiwithoudende gewassen geteeld worden om te kunnen voldoen aan de eiwitbehoefte van jonge biologische varkens (en kippen), is het nog toegelaten om eiwitten van gangbare oorsprong te gebruiken. Deze gangbare eiwitten mogen slechts 5% van het jaarlijkse rantsoen uitmaken. Deze eiwitten zijn meestal verwerkt in de aangekochte diervoeders. Vanaf 2022 (en voorlopig tot 31/12/2026) zullen niet-biologische eiwithoudende voeders enkel nog gebruikt mogen worden onder volgende voorwaarden:
- de diervoeders zijn niet beschikbaar in biologische vorm;
- de diervoeders worden zonder chemische oplosmiddelen geproduceerd of bereid;
- de diervoeders met specifieke eiwitsamenstellingen worden slechts gebruikt voor de voedering van biggen tot en met 35 kg of voor jong pluimvee, en
- het maximaal toegestane percentage per periode van twaalf maanden bedraagt voor die dieren niet meer dan 5 %. Het percentage droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong wordt berekend.
Door slechte weersomstandigheden kan het voorvallen dat er onvoldoende biologisch voeder beschikbaar is. In dat geval onderzoekt de Vlaamse overheid of ze de mogelijkheid tot afwijking kan geven voor het gebruik van gangbare ingrediënten of een hoger percentage omschakelingsingrediënten. Wie daar gebruik van wil maken, moet wel individueel een afwijking aanvragen. Het formulier en de werkwijze vind je op https://lv.vlaanderen.be/nl/bio/wetgeving/vergunningen. Deze aanvraag maak je over aan je controleorgaan die hierover advies zal geven aan het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. Binnen de 21 dagen zal het Agentschap Landbouw en Zeevisserij je laten weten of de afwijking toegestaan wordt.
Herkomst van de dieren
Varkens die je in het biologisch bedrijf binnen brengt, moeten in principe van biologische oorsprong zijn. Ze moeten dus vanaf de geboorte op een biologisch bedrijf geleefd hebben.
Onder bepaalde voorwaarden en tot eind 2036 kan je gangbare dieren inbrengen op het biologisch bedrijf:
- In geval van rassen die verloren dreigen te gaan, mag je gangbare dieren inbrengen voor fokdoeleinden. De dieren hoeven dan niet noodzakelijk nullipara te zijn. Er is in dit geval geen maximum aantal dieren bepaald dat kan worden ingebracht en je hoeft hiervoor ook geen afwijking te vragen. De rassen die hiervoor in aanmerking komen, kan je terugvinden op: https://lv.vlaanderen.be/steun/diergebonden-steun/diergebonden-ecoregelingen-en-agromilieuklimaatmaatregelen-0
- In alle andere gevallen moet je een afwijking vragen om gangbare dieren binnen te brengen op je bedrijf. Dit kan enkel als er onvoldoende biologische dieren beschikbaar zijn en onder bepaalde voorwaarden. Vooraleer je een afwijking aanvraagt bij je controleorgaan, moet je eerst de databank met het aanbod aan biologische dieren raadplegen.
Om een kudde te vergroten of te vernieuwen, mag je vrouwelijke dieren die nog niet hebben geworpen binnenbrengen tot een maximumpercentage van 20% per jaar van het aantal volwassen varkens aanwezig op het bedrijf. Als je minder dan 5 varkens hebt, is vernieuwing beperkt tot één dier per jaar. Voor fokdoeleinden mogen biggen minder dan 35 kg ingebracht worden wanneer een veestapel voor de eerste keer wordt samengesteld (dit geldt dus niet voor afmest). De omschakelingsperiode bedraagt 6 maanden.
Bij een grote uitbreiding, de overschakeling op een ander ras of wanneer een nieuwe veehouderijtak wordt opgezet, kunnen de percentages voor het binnen brengen van vrouwelijke dieren die nog niet hebben geworpen, verhoogd worden tot 40%. In al deze gevallen moet je wel toestemming hebben van de overheid. Je doet je aanvraag via je controleorgaan, die binnen de 14 dagen advies moet geven aan het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. Het Agentschap Landbouw en Zeevisserij zal je schriftelijk op de hoogte brengen van haar beslissing binnen de 14 dagen na ontvangst van dit advies. Ook bij noodsituaties zoals grote sterfte, kan de overheid toestemming geven om gangbare dieren binnen te brengen.
Omschakelingsperiode
Vooraleer je producten als biologisch in de handel mag brengen, moet je zowel grond als dieren omschakelen van gangbaar naar biologisch. Daarvoor geldt een minimale periode waarin je de wettelijke regels van de biologische productie toepast en je onder controle staat, maar je de producten nog niet als biologisch mag verkopen. Dit is de omschakelingsperiode.
De omschakeling kan in één keer voor het hele bedrijf gebeuren, maar dat hoeft niet. Onder bepaalde voorwaarden kan het in stappen gebeuren of kan je het bedrijf gedeeltelijk omschakelen. De producten die nog niet biologisch zijn, hou je gescheiden van de biologische producten. Om die scheiding te kunnen aantonen, hou je ook een register bij.
- Startdatum van de omschakelingsperiode
De omschakelingsperiode gaat in zodra je je activiteit en percelen hebt gemeld aan het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en je je bedrijf aan het controlesysteem hebt onderworpen, m.a.w. een contract met een controleorgaan hebt ondertekend.
Het aanmelden van percelen moet gebeuren via de verzamelaanvraag. Wanneer je nog niet geïdentificeerd bent als landbouwer bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, dien je dit alsnog te doen door een landbouwernummer aan te vragen. De omschakelingsperiode gaat ten vroegste in als je melding volledig is en wanneer je percelen zijn aangegeven via de verzamelaanvraag.
Een contract kan je opvragen bij het controleorgaan van je keuze. In Vlaanderen heb je de keuze tussen drie controleorganen: (BE-BIO-01 Certisys; BE-BIO-02 TÜV NORD Integra; BE-BIO-03 FOODCHAIN ID Certification).
- Gelijktijdig omschakelen van dieren, uitloop en percelen voor voederproductie
Als de omschakeling voor het hele bedrijf gelijktijdig start, dan is de totale gecombineerde omschakelingsperiode afhankelijk van de omschakelingsperiode van je plantaardige productie.
De plantaardige productie kan bestaan uit: weidegronden, uitloop en percelen voor voederproductie. De respectievelijke omschakelingsperiodes vind je hieronder.
Wanneer je bijvoorbeeld grasland en/of meerjarige voeders teelt dan bedraagt de omschakelingsperiode 2 jaar. Gedurende deze periode mogen de dieren gevoerd worden met:
- diervoeder dat in het eerste jaar van de omschakeling op je bedrijf zelf wordt geproduceerd
- biologisch voeder
- Maximaal 25 % omschakelingsdiervoeder van het tweede omschakelingsjaar (of 100% indien afkomstig van je eigen bedrijf)
Opgelet, na de start van de omschakelingsperiode mag je geen gangbaar voeder meer gebruiken, ook geen eigen overschotten.
De omschakeling van weidegronden en openluchtruimten (uitlopen) voor varkens duurt één jaar. Indien je als varkenshouder geen eigen voederteelt heb, kan je ervoor kiezen om de uitloop of weidegrond gelijktijdig met de dieren om te schakelen. Aangezien de omschakeling van uitlopen en weidegronden voor varkens slechts één jaar is, kan je na dit jaar reeds biologische varkens vermarkten. Hou er wel rekening mee dat je enkel biologisch voeder en maximaal 25% omschakelingsvoeder (van 2de jaar omschakeling) mag aankopen. Er kan dus geen gangbaar voeder gegeven worden, behalve de beperkte uitzondering voor niet-bio-eiwitrijk voeder voor biggen). Gefaseerde omschakeling, waarbij de dieren op 6 maanden kunnen omgeschakeld worden, is in dit geval economisch rendabeler.
- Gefaseerde omschakeling
In de praktijk is een gelijktijdige omschakeling van de dierlijke en plantaardige productie niet altijd economisch rendabel. Er kan dan ook gekozen worden voor een gefaseerde omschakeling. Daarbij wordt eerst de plantaardige productie en/of uitlopen omgeschakeld en daarna pas de dieren.
De zeugen en varkens die op het bedrijf aanwezig zijn op het moment dat de omschakeling van de dierlijke productie start, worden biologisch na een omschakelingstermijn van 6 maanden. De biggen geboren na 6 maanden na de start van de omschakeling van de dierlijke productie zijn biologische biggen.
De biggen die geboren worden uit de zeugen tijdens de 6 maanden van omschakeling worden biologisch na het doorlopen van een eigen omschakeltermijn van 6 maanden.
De omschakelingsregels voor de uitloop van varkens voorzien in een gereduceerde periode van 1 jaar voor weilanden en openluchtruimtes.
Alle varkenshouders die starten met de biologische productie moeten die omschakelingstermijn voor de uitloop respecteren, ongeacht het soort ondergrond van de uitloop. De omschakelingstermijn voor de uitloop zal dus eerder gestart moeten worden dan de omschakeling van de dieren zelf. Op die manier zal de omschakelingsperiode van de uitloop al doorlopen zijn wanneer die in gebruik wordt genomen. De regelgeving schrijft voor dat voor varkens de diervoeders voor 30% van de eenheid zelf afkomstig moet zijn, of als dit niet mogelijk is, in samenwerking met andere biologische landbouwbedrijven of diervoederbedrijven in de regio van de eenheid moet worden geproduceerd.
Doorgaans kopen biologische varkenshouders het merendeel van het biologisch voeder aan bij diervoederbedrijven. Je kan uiteraard ook zelf volledig in voeder voorzien. Dan start je best al een jaar voordien met de omschakeling van de gronden voor de teelt van voeder. Zo kan je, eens je de dieren omschakelt, 100% eigen omschakelingsvoeder geven.
Zowel biologische en niet-biologische dieren houden
Wanneer je aan biologische productie doet, moet het volledige landbouwbedrijf beheerd worden volgens de biologische regelgeving. Het is wel mogelijk om (onder specifieke voorwaarden) zowel biologische als niet-biologische gewassen op je bedrijf te hebben. De voorwaarde is dat het moet gaan om verschillende rassen die gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Het is tevens verboden om dezelfde diersoort zowel bio als gangbaar te houden binnen het bedrijf.
Gangbare dieren van een andere soort mogen op het bedrijf aanwezig zijn, als de gebouwen, percelen, dieren en zowel de gebruikte als geproduceerde producten van beide productie-eenheden duidelijk van elkaar gescheiden zijn. Om die scheiding te kunnen aantonen, hou je de nodige registers bij.
Veebezetting en mest
Wat de afzet van biologische mest betreft, kan er contact worden opgenomen met BioForum Vlaanderen vzw. Er kan een lijst worden opgemaakt met biologische telers in de regio van uw bedrijf. Deze biologische telers kunnen dan één voor één worden gecontacteerd met de vraag of ze interesse hebben in de afname van biologische varkensmest. Daarnaast maakt BioForum Vlaanderen vzw. een databank op van bedrijven die mest zoeken of aanbieden. Indien u dit wenst, kan er een zoekertje worden geplaatst op de site van Bioforum Vlaanderen vzw., in de nieuwsbrief en op de site van de Waalse collega’s. (u dient dan de hoeveelheid en de soort mest te specifiëren, en eveneens uw adresgegevens op te geven).
De biologische productie streeft grondgebondenheid na. Het aantal dieren buiten moet ook beperkt worden om overbegrazing, vertrappelen van de bodem, bodemerosie en vervuiling zoveel mogelijk te beperken. Dit aantal komt dan ook overeen met de maximale hoeveelheid stikstof die jaarlijks aan de bodem mag worden toegediend, nl. 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare, of minder als gevolg van de mestwetgeving MAP. Meer dieren per hectare is enkel mogelijk als je de mestafzet kunt regelen voor de te veel geproduceerde biologische mest. Dat kan door een samenwerkingsverband met een ander biologische bedrijf af te sluiten, bv. een akker- of tuinbouwer. Ook voor hem geldt uiteraard de norm van maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per jaar (of minder als gevolg van de mestwetgeving MAP), rekening houdend met de totale biologische bedrijfsoppervlakte.
Voor de berekening hou je rekening met alle biologische dieren op het biologische gedeelte van het bedrijf, en alle biopercelen van het bedrijf en deze van de bioproducenten waar je een schriftelijke overeenkomst mee hebt. Het aantal biologische dieren dat overeen komt met 170 kg stikstof per hectare wordt berekend op basis van de forfaitaire uitscheidingsnormen in het Mestdecreet, tenzij je de reële uitscheidingscijfers kan aantonen op basis van een nutriëntenbalansstelsel. De forfaitaire uitscheidingsnormen kan je terugvinden op https://lv.vlaanderen.be/nl/bio/wetgeving-biologische-productie
Voor de nettostikstofuitscheiding mag je verliezen in rekening brengen. Meer informatie daaromtrent vind je op www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/mest/dierlijke-productie/stikstofverliezen/Paginas/default.aspx
Het aantal biologische dieren dat volgens de Vlaamse overheid overeenkomt met 170 kg N/jaar/ha uit dierlijke mest vindt u terug in tabel 2.
Tabel 2. Aantal dieren dat overeenkomt met 170 kg N

Diergezondheid
- Ziektepreventie
In de biologische veehouderij staat ziektepreventie voorop. Dit is gebaseerd op:
- selectie van rassen en foklijnen;
- veehouderijpraktijken;
- hoogwaardig voeder en evenwichtig rantsoen;
- lichaamsbeweging;
- een passende bezettingsgraad;
- een volwaardige huisvesting onder hygiënische omstandigheden.
Het preventief gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen of antibiotica is verboden.
Stoffen om de groei of de productie te bevorderen en hormonen of soortgelijke stoffen zijn verboden.
De behandelingen opgelegd door de overheid, omwille van de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid zijn toegelaten. Daarnaast is ook vaccinatie toegestaan.
- Diergeneeskundige behandelingen
Dieren die toch ziek worden, moeten zo snel mogelijk worden behandeld en eventueel in afzondering worden geplaatst. Als behandeling geeft u de voorkeur aan fytotherapeutische producten, homeopathie of spoorelementen, vitaminen of mineralen. Uiteraard moet het therapeutisch effect voldoende doeltreffend zijn voor de aandoening. Indien dit niet het geval is, kan u onder de verantwoordelijkheid van een dierenarts toch een regulier geneesmiddel gebruiken.
- Beperkingen als gevolg van diergeneeskundige behandelingen
Als reguliere geneesmiddelen worden gebruikt moet er een goede identificatie van het dier of het lot zijn. De behandelingen moeten geregistreerd worden in het veeboek, dit kan steeds opgevraagd worden door een controleur. Wat moet je nu juist noteren in het veeboek? De datum van de behandeling, de diagnosegegevens, de dosering, de aard van het geneesmiddel, de indicatie van de actieve farmacologische stoffen, de behandelingsmethode en de recepten van de dierenarts met motivering daarvan en de vooropgestelde wachttijd. Vooraleer de dieren of hun producten op de biomarkt te brengen moet na het gebruik van een regulier geneesmiddel telkens de informatie uit het veeboek gemeld worden aan de controleorganisatie.
Als een regulier dierengeneesmiddel werd gebruikt, dan moet je voor de verkoop als bio rekening houden met een langere wachttijd. Daarbij zijn 2 mogelijkheden:
- Het etiket van het geneesmiddel vermeldt een wachttijd die niet gelijk is aan 0: de wachttijd voor de verkoop als bio bedraagt het dubbele
- Het etiket vermeldt een wachttijd die gelijk is aan 0 of vermeldt geen wachttijd: dan is de wachttijd voor de verkoop als bio minstens 48 uur.
Daarnaast mogen er maximaal drie behandelingen met antibiotica en chemisch gesynthetiseerde allopathische diergeneesmiddelen worden toegestaan. Voor vleesvarkens (productieve levenscyclus korter dan één jaar), is maximaal één behandeling mogelijk. Een diergeneeskundige behandeling is elke behandeling van één specifiek ziektegeval. Indien dit aantal wordt overschreden, moet opnieuw een omschakelingsperiode doorlopen worden voor het dier.
Verdoving en/of pijnbestrijding bij castratie wordt niet meegeteld in het aantal behandelingskuren. Ook vaccinaties, verplichte uitroeiingsregelingen en behandelingen tegen parasieten (ontwormingen bijvoorbeeld) worden niet meegeteld.
Steun biologische landbouw. Agentschap Landbouw & Zeevisserij
Bio en de wet - Dierlijke productie. BioForum (versie update juni 2025).
Omschakelen naar biologische productie - Varkenshouderij. Bio Zoekt Boer
Besluit van de secretaris – generaal van 3 december 2021 tot vaststelling van het toegelaten aantal vee – eenheden per hectare in de biologische productie in het kader van stikstofuitscheiding op landbouwpercelen
Dit antwoord werd door het Varkensloket met de meeste zorg en nauwkeurigheid opgesteld. Er wordt evenwel geen enkele garantie gegeven omtrent de juistheid of de volledigheid van het antwoord op uw vraag. De gebruiker van dit antwoord ziet af van elke klacht tegen het Varkensloket of zijn medewerkers, van welke aard ook, met betrekking tot het gebruik van het gegeven antwoord. In geen geval zal het Varkensloket of zijn medewerkers aansprakelijk gesteld kunnen worden voor eventuele nadelige gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van dit antwoord.