Meerfasevoeding bij vleesvarkens

Op twee studienamiddagen, die plaatsvonden op 11 (Torhout) en 12 (Bocholt) september, werden de mogelijkheden van het gebruik van meerfasevoeding bij vleesvarkens belicht. Met een opkomst van een 80-tal aanwezigen, konden deze studiedagen rekenen op een ruime interesse.

Soja is door het hoge eiwitgehalte, de gebalanceerde samenstelling (ideaal aminozuurprofiel) en de hoge verteerbaarheid de belangrijkste eiwitbron in varkensvoeder. Echter, Europa is slechts voor 25 à 30% zelfvoorzienend, wat leidt tot een jaarlijkse invoer van gemiddeld 39 miljoen ton soja uit de V.S., Brazilië en Argentinië. Omdat de import van soja gepaard gaat met diverse problemen, wordt vanuit Europa en Vlaanderen (Actieplan alternatieve eiwitbronnen) getracht om de afhankelijkheid te verminderen o.a. door te streven naar het telen van alternatieve eiwitbronnen.

Naast het telen van alternatieve eiwitbronnen kan de soja-import worden gereduceerd door gebruik te maken van fasevoeding. Hierbij wordt het eiwit- en aminozuurgehalte van het voeder aangepast aan de behoefte van het vleesvarken. Deze behoefte verandert in de loop van de vleesvarkensperiode, waarbij het rantsoen van oudere dieren per kg voeder minder nutriënten moet bevatten.

Alternatieve eiwitbronnen voor soja (Katrijn Ingels)

Verschillende Europese eiwitbronnen komen in aanmerking voor het gebruik in (vlees)varkensvoeder: bijvoorbeeld erwten, veldbonen, lupinen, koolzaad- en zonnebloemschroot, DDGS en aardappeleiwit. Tabel 1 geeft een overzicht van het ruw eiwit gehalte, de verteerbaarheid  en het gebruik van de verschillende grondstoffen. De hoeveelheid waarin de verschillende grondstoffen kunnen ingemengd worden in het rantsoen wordt bovendien bepaald door de aanwezigheid van antinutritionele factoren. Dit zijn stoffen die een negatieve invloed hebben op de waarde van het voeder: bv. een verminderde eiwit- en/of koolhydraatverteerbaarheid, verminderde fosfor beschikbaarheid, bittere smaak en/of toxische effecten. Een goede eiwitbron bevat een hoog percentage ruw eiwit met een hoge verteerbaarheid en weinig antinutritionele factoren.

Tabel 1: Ruw eiwit gehalte en verteerbaarheid van alternatieve eiwitbronnen voor soja

Grondstof

Ruw eiwit
(%)

Verteerbaarheid RE
(
%)

Inmenging
in vleesvarkensvoeder

Sojaschroot

43

90

Als enige eiwitbron; max. 15- 20% bij spenen en geleidelijk laten toenemen

Erwten

21-22

83-86

20-30 %

Veldbonen

25-27,5

79-82

20-30 %

Lupinen

29-46

84

15-20 %

Koolzaadschroot

39

77

Tot 50 % voor vleesvarkens bij dubbelnulrassena; max. 10 % bij niet dubbelnulrassen

Zonnebloemzaadschroot

38 (ontdopt)

83

25-50 %

DDGS (afhankelijk van graangewas)

26-37

-

Tot 20 %

Aardappeleiwit

75-76

92-95

Tot 5 %

a Dubbelnulrassen bevatten maximaal 3 mmol glucosinolaten (een antinutritionele factor die leidt tot de vorming van giftige en bittere producten die de schildklierfunctie verstoren).

Precisievoeding: voederen naar behoefte (Sam Millet)

Varkens moeten energie opnemen om te kunnen overleven (onderhoud) en te groeien. De energiebehoefte voor onderhoud is de energie die een dier nodig heeft voor het in stand houden van de lichaamsfuncties. De groei van een vleesvarken omvat zowel de aanzet van spieren, de groei van de beenderen als de aanzet van vet. Om spieren aan te zetten zijn eiwitten nodig. De samenstelling van het voedereiwit (aminozuurprofiel) is hierbij van groot belang. Lysine is het ‘limiterend aminozuur’ dat in voldoende mate aanwezig moet zijn om op een efficiënte manier spierweefsel op te bouwen. De andere aminozuren worden uitgedrukt in verhouding tot lysine. Indien er te weinig/een onjuiste verhouding aminozuren in het voeder zitten kan geen spierweefsel worden aangezet en wordt de energie gebruikt voor de vetaanzet, wat leidt tot een hogere voederconversie.

In de loop van de vleesvarkensfase veranderen het lichaamsgewicht, de voederopname en de capaciteit van de dieren om spieren aan te zetten. De dagelijkse behoefte aan energie (onderhoudsbehoefte) en aan aminozuren (spieropbouw) neemt toe met een toenemend lichaamsgewicht en spieraanzet. De varkens zullen echter meer voeder opnemen, waardoor de aminozuurbehoefte per kg voeder daalt. Het principe van meerfasevoeding is gebaseerd op een verlaging van de nutriënten (aminozuur)inhoud van het voeder in functie van de behoefte van de dieren. Zo kan een goedkoper voeder geproduceerd worden met een lagere stikstofuitstoot. 

Demoproef op proefbedrijf Bocholt (Luc Martens en Toon Elsen)

Vier testgroepen (elk bestaand uit 50 bargen en 50 zeugen; Topigs 20 x Piétrain) werden ad libitum gevoederd via een twee-, drie-, vijf- of multifasesysteem. Figuur 1 geeft een overzicht van het proefvoederschema van de verschillende groepen. Gedurende het traject werden het individuele gewicht (vijf weegmomenten), de voederopname (per hok) en enkele slachtparameters opgevolgd. De dagelijkse groei, de voederconversie en voederkostprijs van het gebruikte voederschema werden hieruit berekend. Definitieve resultaten van de proef zullen eind 2013 beschikbaar zijn.

Groep

Week na opzet

 

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

2F

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3F

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5F

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

-->

 

 

 

 

 

 

 

Groeivoeder tot 45 kg lichaamsgewicht

 

Afmestvoeder vanaf 45 kg lichaamsgewicht tot slacht (2F); tot 70 kg (3F); tot 65 kg (5F)

 

Afmestvoeder van 70 kg lichaamsgewicht tot slacht (3F), van 80 tot 95 kg (5F)

 

Afmestvoeder van 65 tot 80 kg lichaamsgewicht

 

Afmestvoeder van 95 tot 115 kg lichaamsgewicht

 

Mineralenrijk voeder aangepast aan varkens met een lichaamsgewicht van 45 kg

 

Mineralenarm voeder aangepast aan varkens met een lichaamsgewicht van 110 kg

-->

Lineaire overgang van 100% mineralen- en eiwitrijk naar 100% mineralen- en eiwitarm, door middel van een wekelijkse aanpassing

Figuur 1: Voederschema's

Implementatie op praktijkbedrijven (Dirk Fremaut)

Tijdens de laatste fase van het project wordt nagegaan hoe een praktijkbedrijf zo eenvoudig mogelijk kan overgaan op één van de fasevoedingssystemen en welke invloed deze omschakeling heeft op de zoötechnische resultaten (dagelijkse groei, voederconversie en voederopname) en de slachtkwaliteit van de varkens. Bovendien wordt een kostprijsberekening uitgevoerd en wordt een schatting gemaakt van de invloed op de mineralenuitstoot en de gerealiseerde reductie in de afhankelijkheid van soja. Zes bedrijven nemen dit najaar deel aan de praktijkproef. Op elk bedrijf wordt het bestaande voederschema met minstens één fase verhoogd in overleg met de veevoederfabrikant. Van essentieel belang is dat geen grote bedrijfsaanpassingen of investeringen moeten worden uitgevoerd. De voederopname, groei, voederconversie, gezondheidstoestand, luchtkwaliteit en het al dan niet ervaren van problemen bij de omschakeling worden via twee à drie bedrijfsbezoeken opgevolgd.

Hieronder vindt u de presentaties die aan bod kwamen tijdens de studienamiddagen:

De studiedagen kaderen in het ADLO-demonstratieproject 'Precisievoeding van vleesvarkens: meerfasevoeding op basis van zelfgeteelde eiwitbronnen'. Het project heeft als doel aan te tonen dat de overschakeling van tweefasevoedering naar een drie- of meerfasesysteem bij vleesvarkens een bijdrage kan leveren in de reductie van de voederkost en de stikstof uitstoot, en de afhankelijkheid van soja import kan verminderen. Het tweejarig project loopt tot eind 2013. Projectpartners zijn Proef- en Vormingsinstituut Limburg (PVL in Bocholt), Hogeschool Gent, ILVO-Dier en Thomas More. Dit demonstratieproject wordt medegefinancierd door de Europese Unie en het departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid.

Varkensloket
© Varkensloket | Gebruikersvoorwaarden
info@varkensloket.be - 09 272 26 67. Heeft u suggesties voor onze website of heeft u een link gevonden die niet werkt? Meld het via het contactformulier.
Vlaamse Overheid