Studiedag 'Onderzoeksresultaten in de varkenshouderij' - 12 oktober 2017

U vindt hier de presentaties en videofragmenten uit de studievoormiddag 'Onderzoeksresultaten in de varkenshouderij':

Stikstofbalans op een varkensbedrijf (pdf) (Sam Millet en Alice Van den Broeke)
Op basis van een praktijkproef bij ILVO gedurende de vleesvarkensfase werd het effect van het geslacht op de stikstofbalans in kaart gebracht. De stikstofexcretie werd berekend op basis van de stikstofinname en de stikstofretentie. Beren halen een stikstofefficiëntie van 53%. Onder het toegepaste voederregime en de genetica in de proef zijn bargen ecologisch minder efficiënt dan beren en immunocastraten. De stikstofefficiëntie bij bargen kan waarschijnlijk verhoogd worden door de eiwitinhoud van het voeder te verlagen zolang het geen negatieve invloed heeft op hun groei en karkassamenstelling.
 
Maximale stikstofefficiëntie door een optimale eiwit- en aminozuursamenstelling (pdf) (Sam Millet)
Deze voordracht gaat in op strategieën om de stikstofefficiëntie van vleesvarkens te maximaliseren, aan de hand van een aantal proeven die de voorbije jaren op ILVO werden uitgevoerd. Enerzijds werden strategieën besproken om het aandeel lysine ten opzichte van de spiergroei zo laag mogelijk te houden: dit kan door managementmaatregelen die de voederconversie verlagen, door het verstrekken van voeder met een gebalanceerd aminozuurprofiel en door het lysinegehalte aan te passen in functie van de dierbehoefte (fasevoedering). Binnen deze krijtlijnen kan de stikstofefficiëntie verbeterd worden door het eiwitgehalte te laten zakken. Tot op een bepaald niveau kan dit zonder te veel verlies in groeiprestaties.
 
Belang van de voedervorm op groeiprestaties en nutriëntenverbruik (pdf) (Alice Van den Broeke)
Het effect van het voederen van meel of pellets op de zoötechnische prestaties, het nutriëntenverbruik en economische parameters werd zowel bij biggen als vleesvarkens in kaart gebracht. Het dagelijkse voederverbruik (voederopname en vermorsing) door de vleesvarkens lag hoger bij het meel vergeleken met de pellets. Bij de biggen verschilde het verbruik van het meel en de pellets niet significant. De biggen en de vleesvarkens op de pellets groeiden beter en hadden een lagere voederconversie vergeleken met het meel. Het bereikte bruto saldo tussen meel en pellets was evenwel vergelijkbaar. De gunstigere voederconversie werd opgeheven door de meerkost van het pelleteren (geschat op 10 euro/ton voeder). Pelleteren heeft dus in de eerste plaats een milieuvoordeel.
 
Beïnvloeden de hardheid en het bicarbonaatgehalte van water de groeiprestaties van biggen? (pdf) (Nathalie Nollet)
Diepdrainagewater (ondiep grondwater ongeveer 4 meter onder het maaiveld) is een alternatieve duurzame waterbron voor diep grondwater dat in bepaalde Vlaamse regio’s onder druk staat. Uit analyses blijkt dat diepdrainagewater vaak een te hoge hardheid heeft en een hoger aandeel bicarbonaten, wat kan resulteren in een verminderde melkgift bij de zeug en diarree bij gespeende biggen. In de ILVO-biggenbatterij werden een aantal proeven opgezet om het effect van water met een verhoogde hardheid en bicarbonaatgehalte op de wateropname, zoötechnische prestaties en mestconsistentie na te gaan. Uit de proeven bleek dat harder water en water met een hoger bicarbonaatgehalte (vergelijkbaar met diepdrainagewater) de bigprestaties niet per se negatief beïnvloed. De biggen die de keuze hadden tussen twee soorten (stadswater en water met verhoogd bicarbonaatgehalte) water lieten een significant lagere dagelijkse groei en hogere voederconversie opmeten. Voor de onderzoekers was de reden hiervoor niet meteen duidelijk. Uit voorzorg lijkt het alleszins beter om biggen niet te laten kiezen tussen twee soorten water.
 


Heeft het slachtgewicht een effect op de carbon footprint van varkensvlees? (pdf) (Carolien De Cuyper)
Binnen het onderzoeksproject rond het bedrijfseconomisch optimale slachtgewicht (IWT 120760) wordt onder andere gekeken naar de ecologische duurzaamheid. Er werd op basis van een proef bij ILVO nagegaan in welke mate de carbon footprint evolueert bij een wijzigend slachtgewicht. Op basis van de proefresultaten komt een stijgend slachtgewicht overeen met een hogere carbon footprint per kg vlees. Bargen hebben de hoogste carbon footprint en scoren bijgevolg het slechtst op ecologisch vlak.

 

Effect van hokbezetting, drinkwatertoegang en afleverstrategie op groeiprestaties van vleesvarkens (pdf) (Marijke Aluwé)

In welke mate heeft toppen een effect op de achterblijvers? Groeien varkens beter op brij- of droogvoederbakken? Hoe beïnvloedt de hokbezetting de prestaties van vleesvarkens? Dit zijn enkele praktijkgerichte vragen die werden nagegaan in kleinschalige proeven in de ILVO-proefstal. De zoötechnische prestaties in de hokken waar er niet/wel werd getopt verschilden niet significant. Toppen zorgde evenwel voor een lagere voederkost. De voederopname was in de eindfase lager bij de achterblijvers (voornamelijk gelten) in de getopte hokken. In de hokbezettingsproef aten de vleesvarkens meer en groeiden deze beter bij een lagere bezetting. De voederopname, groei en voederconversie verschilde in deze proef niet significant tussen de brij- en droogvoederbakken.

 
Een goede voederconversie: meer dan alleen voeder (pdf) (Sarah De Smet)
Voeder is de belangrijkste kostenpost bij het afmesten van vleesvarkens. Het is voor de varkenshouder dus essentieel om zo efficiënt mogelijk met het voeder om te gaan en zo de voederkost en de mestproductie te beperken. De hoeveelheid voeder die een varken verbruikt hangt af van tal van managementfactoren, zoals de genetica, het voeder, het drinkwater, het geslacht, het stalklimaat, de gezondheid en de slachtbeslissing. De varkenshouder heeft een hand in heel wat factoren: o.a. de juiste eindbeer kiezen, de voederbakken correct afstellen, zorgen voor goede hygiënemaatregelen en het verstrekken van drinkwater van afdoende kwaliteit spelen een rol. Het is aldus duidelijk dat varkenshouderij vakmanschap is. Om deze factoren verder in kaart te brengen is ILVO nog op zoek naar varkensbedrijven met een vleesvarkenstak die hun gegevens ter beschikking willen stellen voor onderzoek. Ze krijgen in ruil een analyse van hun bedrijfsprestaties en advies op maat. Geïnteresseerden kunnen onderzoeker Isabelle Hoschet (isabelle.hoschet@ilvo.vlaanderen.be) contacteren. 
 
Strategieën om berengeur in de praktijk te beperken (pdf) (Marijke Aluwé)
Bij gemiddeld 3 tot 5% van de intacte beren in België komt berengeur voor. Berengeur is een onaangename geur die kan ontstaan bij het verhitten van vlees en vet van intacte beren. De componenten androstenon en skatol, en in mindere mate indol die worden opgeslagen in het vetweefsel liggen aan de basis hiervan. Momenteel wordt ingezet op een aantal strategieën, zoals een langere wachttijd in het slachthuis, een aangepast voeder op het einde van de afmest en het gescheiden afmesten om berengeur te beperken. Een langere wachttijd in het slachthuis en het gescheiden afmesten van beren en gelten beïnvloeden de geurscore (door experten) en de aanwezigheid van de berengeurcomponenten (wachttijd in losruimte slachthuis) niet. Het geven van TAINTSTOP (laatste 3 en 2 weken voor slacht) en FIBROFOS (5%) verlaagde de geurscore. Het voederen van TAINTSTOP gedurende de laatste twee of drie weken voor slacht verlaagde het voorkomen van de berengeurcomponenten skatol en indol. In de groep waar twee weken voor slacht TAINTSTOP werd gevoederd verlaagde ook het androstenongehalte. 

 
Varkensloket
© Varkensloket | Gebruikersvoorwaarden
info@varkensloket.be - 09 272 26 67. Heeft u suggesties voor onze website of heeft u een link gevonden die niet werkt? Meld het via het contactformulier.
Vlaamse Overheid